Jaarrekening

Balans

Inleiding

De jaarrekening is opgesteld met inachtneming van de voorschriften in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de verordening op basis van artikel 212 Gemeentewet, oftewel de financiële verordening, waarin de gemeenteraad op 18 december 2017 de uitgangspunten voor het financiële beleid en de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie heeft vastgesteld.

Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening

De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders is vermeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarden.

De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico’s die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen als zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden.

Dividendopbrengsten van deelnemingen worden als baten genomen op het moment waarop het dividend betaalbaar gesteld wordt.

Voor de eigen bijdragen die het CAK int en aan de gemeenten afdraagt, geldt op basis van de Kadernota rechtmatigheid 2018 van de commissie BBV het volgende. Gemeenten kunnen op basis van de overzichten van het CAK wel de aantallen personen, soort en omvang van de zorgverlening beoordelen met de eigen Wmo-administratie. Een probleempunt is dat inkomensgegevens op deze overzichten ontbreken. Daardoor heeft de gemeente onvoldoende informatie over de eigen bijdrage om de juistheid op persoonsniveau en de volledigheid van de eigen bijdragen als geheel te kunnen vaststellen. Doordat de wetgever ervoor gekozen heeft de eigen bijdragen door het CAK te laten vaststellen, heeft hij in feite bepaald dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor de juistheid en volledigheid van de eigen bijdragen. Dat betekent dat de gemeenten geen zekerheden kunnen verkrijgen over omvang en hoogte van de eigen bijdragen, doordat ze de juistheid op persoonsniveau niet kunnen vaststellen, zoals hiervoor is toegelicht.

Personeelslasten worden toegerekend aan het boekjaar waarop zij betrekking hebben. Er geldt echter een formeel verbod op het opnemen van voorzieningen en schulden van jaarlijks terugkerende aan arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume. Daardoor worden sommige personele lasten toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt Denk bijvoorbeeld aan ziektekostenpremies voor gepensioneerden, overlopende verlofaanspraken en dergelijke. Voor aan arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van een jaarlijks vergelijkbaar volume wordt geen voorziening getroffen of op andere wijze een verplichting opgenomen. De referentieperiode is dezelfde als die van de meerjarenraming, te weten vier jaar. Als er sprake is van schokeffecten, wordt wel een verplichting gevormd.

Balans

De balans geeft een getrouw beeld van de omvang en samenstelling van het vermogen op de balansdatum en geeft daarmee inzicht in de bezittingen, de schulden en het eigen vermogen van de gemeente. Uiteraard is het eindsaldo van de balans 2020 het startpunt voor de balans 2021.

Activa
Vaste activa
Artikel 59 BBV schrijft het volgende voor:

  • Alle investeringen worden geactiveerd (economisch en maatschappelijk nut).
  • In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met cultuurhistorische waarde niet geactiveerd.

Activa met een verkrijgings- of vervaardigingsprijs van maximaal € 25.000 worden niet geactiveerd.

De afschrijving van de geactiveerde kosten vangt aan op 1 januari volgend op het jaar van ingebruikname van het gerelateerde materiële vaste actief.

Immateriële vaste activa
De immateriële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, verminderd met de afschrijvingen en waardeverminderingen die naar verwachting duurzaam zijn.

De kosten van onderzoek en ontwikkeling kunnen onder bepaalde voorwaarden in vier jaar worden afgeschreven. De afschrijving van de geactiveerde kosten van onderzoek en ontwikkeling vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op die van ingebruikneming van het gerelateerde materiële vaste actief.

Afsluitkosten van opgenomen geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht (verordening op basis van artikel 212).

Materiële vaste activa

De materiële vaste activa, zoals bedoeld in artikel 35 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, worden lineair afgeschreven. Deze materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Specifieke investeringsbijdragen van derden worden op de desbetreffende investering in mindering gebracht; in die gevallen wordt op het saldo afgeschreven. De investeringen worden volgens de zogenoemde nettomethode verantwoord.

Binnen de materiële vaste activa wordt er een onderscheidt gemaakt in de volgende categorieën:

  • Investeringen met economisch nut

Investeringen die op enigerlei wijze kunnen leiden tot of bijdragen aan het verwerven van inkomsten zijn investeringen met economisch nut. De vraag of de investering geheel kan worden terugverdiend is niet relevant voor de classificatie.

Op grondbezit met economisch nut (buiten de openbare ruimte) wordt niet afgeschreven. Bij de waardering wordt in voorkomende gevallen rekening gehouden met een bijzondere vermindering van de waarde, als deze naar verwachting duurzaam is.
Slijtende investeringen worden vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar van ingebruikneming lineair afgeschreven gedurende een periode die is vastgesteld in de verordening op basis van artikel 212, waarbij geen rekening wordt gehouden met een eventuele restwaarde.
De nog niet in exploitatie genomen bouwgronden zijn gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs, dan wel lagere marktwaarde.

  • Investeringen met een economische nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven

Dit gaat om investeringen in verband met riool- en afvalstoffenheffing .

  • Investeringen in de openbare ruimte met uitsluitend maatschappelijk nut

Op grond van de BBV moeten sinds 1 januari 2017 investeringen met een maatschappelijk nut geactiveerd worden. Alleen die investeringen komen daarvoor in aanmerking die geen inkomsten voor de gemeenten genereren of verkoopbaar zijn en die betrekking hebben op de openbare ruimte en waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Dit zijn infrastructurele werken in de openbare ruimte, zoals wegen, pleinen, bruggen, viaducten en parken. Een investering met een maatschappelijk nut dat zich over minder dan drie jaar uitstrekt, wordt niet geactiveerd.

Afschrijftermijnen
De meestgebruikte afschrijvingstermijnen bedragen in jaren:

  • 50 jaar voor nieuwbouwwoningen, opstallen en bouwkundige constructies;
  • 50 jaar voor persleidingen;
  • 40 jaar voor nieuwbouwwoonruimten en bedrijfsgebouwen;
  • 25 jaar voor drukrioleringen;
  • 25 jaar voor renovatie, restauratie woonruimten en bedrijfsgebouwen;
  • 20 jaar voor armaturen openbare verlichting, aanleg en renovatie speelterreinen;
  • 15 jaar voor technische installaties in bedrijfsgebouwen en rioolgemalen;
  • 10 jaar voor veiligheidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen, telefooninstallaties, kantoormeubilair, speeltoestellen;
  • 8 jaar voor tractoren en bedrijfswagens Buitendienst;
  • 8 jaar voor zware transportmiddelen, aanhangwagens, schuiten, personenauto’s, lichte motorvoertuigen;
  • 5 jaar droogpakken brandweer;
  • 5 jaar automatiseringsapparatuur;

Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 25.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden geactiveerd ongeacht de waarde. Er wordt alleen niet op afgeschreven.

Financiële vaste activa
Kapitaalverstrekkingen aan gemeenschappelijke regelingen en leningen u/g worden opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig is vanuit een voorziening voor verwachte oninbaarheid een afboeking in mindering gebracht.

Participaties in het aandelenkapitaal van nv’s (‘kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen’ in de zin van het BBV) zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs van de aandelen. Als de waarde van de aandelen onverhoopt structureel daalt tot onder de verkrijgingsprijs, dan zal afwaardering plaatsvinden.

Bijdragen aan activa van derden kunnen (in overeenstemming met artikel 61 BBV) worden geactiveerd, maar zullen zo veel als mogelijk ineens worden gedekt ten laste van de reservepositie. Als de bijdragen worden geactiveerd, zullen deze worden gewaardeerd op het bedrag van de verstrekte bijdragen, verminderd met afschrijvingen. De verleende bijdragen zullen dan worden afgeschreven in de periode waarin het betrokken actief van de derde op basis van de door de gemeente gestelde voorwaarden moet bijdragen aan de publieke taak.

Vlottende activa
Voorraden

  • Onderhanden werk, gronden in exploitatie

De als onderhanden werken opgenomen bouwgronden in exploitatie zijn gewaardeerd tegen de vervaardigingsprijs, dan wel de lagere marktwaarde. De vervaardigingsprijs omvat de kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend (zoals grondaankopen en kosten van bouw- en woonrijp maken), evenals een redelijk te achten aandeel in de rentekosten en de administratie- en beheerskosten.
Winsten uit de grondexploitatie worden slechts genomen als er sprake is van grote projecten die zijn onderverdeeld in duidelijk herkenbare delen, en pas op het moment dat alle verkopen hebben plaatsgevonden en de nog te maken kosten betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.

Uitzettingen met een rentetypsiche looptijd < 1 jaar

  • Vorderingen en overlopende activa

De vorderingen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid is een voorziening in mindering gebracht. De voorziening wordt bepaald op basis van de geschatte inningskansen.

Liquide middelen en overlopende posten
Deze activa worden tegen nominale waarde opgenomen.

Passiva

Vaste passiva
Volgens artikel 41 van het BBV worden onder vaste passiva verstaan het eigen vermogen, de voorzieningen en de vaste schulden met een rentetypische looptijd van één jaar of langer. Het eigen vermogen bestaat uit de reserves en het resultaat na bestemming volgend uit de jaarrekening.

Eigen vermogen
De raad heeft een nieuwe notitie Reserves & Voorzieningen vastgesteld in 2019, deze notitie volgt het BBV wat betreft het onderscheid in algemene reserves, bestemmingsreserves en overige bestemmingsreserves. Ook het begrip voorzieningen wordt hierin nader toegelicht.

Voorzieningen
Voorzieningen worden gewaardeerd op het nominale bedrag van de betrokken verplichting of het voorzienbare verlies.

De onderhoudsvoorzieningen zijn gebaseerd op een meerjarenraming van het uit te voeren groot onderhoud aan (een deel van) de gemeentelijke kapitaalgoederen, waarin rekening is gehouden met de kwaliteitseisen die daarvoor geformuleerd zijn. In de paragraaf Onderhoud kapitaalgoederen die is opgenomen in het jaarverslag, is het beleid daarvoor nader uiteengezet.

Aan de voorzieningen wordt geen rente toegerekend, alleen aan de voorziening onderhoud begraafplaatsen, die tegen contante waarde is opgenomen, kan rente worden toegerekend.

De voorzieningen die worden gevormd door middelen van derden met een specifiek bestedingsdoel, mogen niet langer als voorziening worden gezien, maar moeten in de balans worden opgenomen onder de overlopende passiva.

Vaste schulden met een rentetypische looptijd > 1 jaar
Vaste schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde verminderd met gedane aflossingen. De vaste schulden hebben een rentetypische looptijd van één jaar of langer.

Vlottende passiva
Onder vlottende passiva worden verstaan de netto vlottende schuld met een rentetypische looptijd korter dan één jaar en de overlopende passiva. De vlottende passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.

Overige
Borg- en garantstellingen
Voor zover leningen door de gemeente gewaarborgd zijn, is buiten de telling van de balans het totaalbedrag van de geborgde schuldrestanten per einde boekjaar opgenomen. Zo nodig is in de toelichting op de balans nadere informatie opgenomen.

Niet uit de balans blijkende (financiële) verplichtingen
In de toelichting op de balans wordt een zo getrouw mogelijk beeld geschetst van verplichtingen die de gemeente is aangegaan maar die niet uit de balans blijken.

In 2021 zijn er twee leasecontracten. Eén voor het leasen van een auto ten behoeve van de boa’s met een maandelijkse verplichting van € 750. Daarnaast is er een leasecontract ten behoeve van een vaatwasser met een maandelijkse verplichting van € 218.

Grondslagen resultaat
Toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves geschieden op basis van raadsbesluiten. Het jaarresultaat wordt na vaststelling van de rekening verdeeld volgens het door de raad genomen besluit.

Deze pagina is gebouwd op 06/29/2022 12:27:59 met de export van 06/29/2022 12:20:37